ALGEMENE INSTALLATIE-INSTRUCTIES
- Ontkoppel de voertuigaccu: Koppel vóór aanvang van de installatie de minklem van de voertuigaccu los om kortsluiting en elektrische schokken te voorkomen.
- Geschikte inbouwlocatie: Zoek eerst een geschikte inbouwlocatie voor het apparaat. Zorg ervoor dat er voldoende ruimte is voor de kabels, dat deze niet geknikt raken en dat er voldoende trekontlasting is gewaarborgd.
- Voldoende koeling: Zorg ervoor dat een product dat op het elektrische systeem van het voertuig is aangesloten, op de inbouwlocatie voldoende koeling krijgt. Installeer het product niet in te kleine, gesloten behuizingen zonder luchtcirculatie, en niet in de buurt van warmteafgevende onderdelen of elektronische regeleenheden van het voertuig.
- Niet op trillende delen monteren: Monteer een versterker onder geen beding op een subwooferbehuizing of andere trillende onderdelen; hierdoor kunnen interne componenten losraken en kan het apparaat ernstig beschadigd raken.
- Voertuigonderdelen niet beschadigen: Zorg er bij de installatie of het boren van gaten voor dat er geen veiligheidsrelevante onderdelen van het voertuig – zoals elektronische componenten, veiligheidsgordels, brandstofleidingen, de brandstoftank of kabels – worden beschadigd of verwijderd.
- Veiligheidskritieke systemen niet belemmeren: Gebruik geen bouten of moeren van het rem- of stuursysteem (of enig ander veiligheidsrelevant systeem) voor de installatie of de massa-aansluiting. Dit kan leiden tot brandgevaar of de rijveiligheid in gevaar brengen.
- Bevestiging: Bevestig het product en de bijbehorende onderdelen stevig in het voertuig. Anders kunnen ze tijdens het rijden losraken en als gevaarlijke projectielen in het interieur terechtkomen, wat schade en letsel kan veroorzaken.
- Spanningsdalingen: Krachtige versterkers veroorzaken bij een hoog uitgangsvermogen aanzienlijke spanningsdalingen en vereisen zeer hoge stromen. Om het elektrische systeem van het voertuig niet te zwaar te belasten, wordt aanbevolen een buffercondensator (ook wel 'Powercap' genoemd) te installeren; deze fungeert als buffer en wordt parallel aan de versterker en de stroombron aangesloten. Laat u hierover adviseren door een vakhandelaar.
- Vermijd vocht en stof: Installeer het product zodanig in het voertuig dat het beschermd is tegen een hoge luchtvochtigheid en stof. Als er vocht of stof in het apparaat binnendringt, kan dit leiden tot storingen en schade aan het product.
- Correcte polariteit: Let bij de installatie altijd op de juiste polariteit van de aansluitingen. Verkeerde aansluitingen kunnen leiden tot brand, kortsluiting en schade aan het product.
- Aparte bekabeling: Alle voedings- en audiosignaalkabels moeten tijdens de installatie zo kort mogelijk worden gehouden en idealiter niet aan dezelfde kant van het voertuig worden geleid, omdat dit elektromagnetische interferentie kan veroorzaken. Het is beter om ze apart te leggen in de linker en rechter kabelgoten van het voertuig.
- Kabels mogen niet hinderen: Leg de aansluitkabels zo neer dat ze het rijden niet belemmeren. Kabels die in het stuur, de versnellingspook of het rempedaal verstrikt kunnen raken, kunnen tot zeer gevaarlijke situaties leiden. Leg de kabels zo neer dat ze niet vast kunnen komen te zitten in bewegende onderdelen zoals de stoelrails of beschadigd kunnen raken door scherpe randen of hoeken.
- Gebruik kabelisolatie: Als u een kabel door een gat in een metalen plaat leidt, bescherm de kabel dan met een rubberen doorvoerring om beschadiging door de metalen randen van het gat te voorkomen.
- Strip geen kabels: Alle kabels die bij het product of voertuig horen, mogen niet worden gestript, bijvoorbeeld om andere apparaten van stroom te voorzien. Gebruik hiervoor bij voorkeur geschikte verdeelblokken of professionele accessoires. Anders wordt de stroomvoerende capaciteit van de kabel overschreden, met het risico op brand of een elektrische schok tot gevolg.